16-08-2004 Column 144 Is langer doorwerken een optie?
 

Onlangs hoorde ik minister Dekker verzuchten dat de Nederlandse werknemer best een paar vakantiedagen kan inleveren om de economie een stimulans te geven. Vervolgens verkondigde minister Brinkhorst dat de werknemers ook nog eens voor hetzelfde salaris een langere werkweek zouden moeten maken om onze concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland te verbeteren. Allerlei tabelletjes rolden over tafel om aan te tonen hoe weinig uren wij werken en hoeveel vrije dagen wij per jaar hebben. De eerste reacties waren voorspelbaar: werknemers en vakbonden zijn boos en wijzen op verworven rechten. Diverse werkgevers vinden het echter wel wat. Sommige kamerleden onderbraken kort een van hun vele langdurige recessen om vanuit een zonovergoten ligstoel in onbegrijpelijk woordgebruik hun voor meerdere uitleg vatbare mening te geven. Ik keek eens op de kalender en zag het al: de 'r' is uit de maand, het is komkommertijd! Altijd een periode voor wat extra ongenuanceerde berichtgeving, waarin allerlei losse eindjes tot een onontwarbare kluwen worden geknoopt. Ik wil voor een serieuze discussie een aantal feiten op een rijtje zetten en daarbij een paar kanttekeningen plaatsen.
De Nederlandse werknemer heeft 7 feestdagen en gemiddeld 26 vakantiedagen. Met deze 33 vrije dagen staat Nederland ergens onderaan op de 12e plaats op de ranglijst van Europese landen. Zo kent Oostenrijk al 43 vrije dagen per jaar. In de wereld van de ambtenarij en banken ligt het bij ons wel anders. Daar hebben de meeste werknemers jaren geleden loon ingeleverd voor tijd. Dat betekent bijvoorbeeld dat de doorsnee ambtenaar op jaarbasis nog eens 12 atv-dagen extra heeft. Het feit dat na die inlevering van geld de ambtenarensalarissen fors gestegen zijn terwijl hun vrije tijd als verworven recht in stand is gebleven, maakt van een overheidsbetrekking nu een goed betaalde baan met zeer veel vrije tijd. Ik heb jaren bij de overheid gewerkt en weet uit ervaring dat het vrijwel onmogelijk is al die vrije dagen op te maken. Waarschijnlijk doelde minister Dekker bij die in te leveren vakantiedagen ook op de situatie bij haar ministerie, waar het door al die vrije tijd bijna onmogelijk is om met alle betrokkenen zoiets simpels als een gezamenlijke vergadering te plannen. Maar natuurlijk is het wel zo dat het in allerlei bedrijfstakken minder rooskleurig is. Met name in het midden- en kleinbedrijf, waar ik nogal wat zakelijke contacten heb, zie ik dat het uit kostenoverwegingen vaak heel moeilijk is om werknemers die 33 vrije dagen uit te betalen, terwijl de ondernemer zelf hooguit een weekje per jaar weg kan. Een paar dagen minder vrij kan daar economisch aantrekkelijk zijn, daar heeft mevrouw Dekker gelijk in.
Ten aanzien van de langere werkweek van minister Brinkhorst merk ik op dat in Nederland inderdaad slechts 1 op de 10 werknemers 40 uur per week werkt. Gemiddeld werken we hier 1354 uur per jaar of wel circa 30 uur per week. Daarmee staan wij op de derde plaats op de rij van landen waar het minst gewerkt wordt. Alleen in Luxemburg en Noorwegen werken ze nog minder. Maar simpelweg het registreren van het aantal uren dat men op het werk is, zegt niet zoveel. Belangrijker is wat men in die uren produceert. En dan blijkt opeens dat de gemiddelde Nederlandse werknemer per gewerkt (dan wel geregistreerd aanwezig) uur op de derde plaats staat op het lijstje van landen met de hoogste productiviteit. Je zou zeggen dat het daar nu eigenlijk om gaat: niet hoe lang je aanwezig bent, maar wat je doet. Natuurlijk kunnen er incidentele gevallen zijn waar een langere werkweek voor hetzelfde loon zeer effectief kan zijn. Ik doel dan op ondernemingen in de echte productiesfeer die (al dan niet tijdelijk) alleen kunnen overleven als er voor hetzelfde salaris in meer uren meer geproduceerd wordt. Maar de minister maakt mij niet wijs dat er op zijn ministerie meer beleid gemaakt wordt als er langer wordt gewerkt. Of dat een bank meer bankzaken doet. Bewijs daarvoor is al het feit dat de verruimde winkeltijdenwet de winkels in het algemeen ook niet echt meer omzet hebben opgeleverd. Langer open (dus meer werken) leidt daar meestal slechts tot hogere kosten.
Bovendien begrijp ik de minister niet. De overheid heeft vele jaren intensief gepropageerd om de werkweek te verkorten dan wel banen te delen om zo de arbeidsparticipatie te bevorderen. Als er opeens twee mensen die een baan delen van 40 uur, nu ieder 24 uur voor hetzelfde salaris moeten gaan werken, brengt dat alleen maar ellende. Het werk neemt in de meeste gevallen niet toe, hetgeen betekent dat er meer loze uren zijn. In mijn vorige column heb ik gewezen op het grote risico van mentaal verzuim in organisaties. Daaronder verstaat men wel op het werk aanwezig zijn, maar niet met het werk bezig. Verlenging van de arbeidstijd in dat soort gevallen - en dat zijn er heel veel - leidt onherroepelijk tot mentaal verzuim, tot ziekte en dus tot hoge kosten.
Tot slot wijs ik op het bestaan van veel zware beroepen waar echt niet langer gewerkt kan worden. Wat dacht u van een stratenmaker of van werknemers in de woning- en wegenbouw? En in de zorg? Mijn partner bijvoorbeeld werkt voor een mager loon 38 uur in de verpleging, waarbij hij dagelijks met twee andere collega's dertig meest halfzijdig verlamde bejaarden in bed, uit bed, op het toilet, onder de douche, weer in bed, weer uit bed moet brengen. Na 38 uur is voor hem aan het einde van de week de maat vol en ligt hij uitgeput op de bank, terwijl in het café naast ons nog niet vermoeide ambtenaren van de gemeente het eerste glas heffen op een gezellig en uitbundig weekend.
Mijn conclusies:
- de beide ministers scoren met hun opmerkingen in sommige gevallen een punt, maar meestal gaan hun beweringen niet op;
- het overheidsbeleid moet m.i. gericht zijn op banengroei en het alleen wijzen op minder vrije dagen en langer werken is kortzichtig en onjuist;
- het overheidsbeleid dat nu gericht is op terugdringing van de hoogte en duur van ww- en wao-uitkeringen met het argument dat zulks vanzelf zal leiden tot een hogere arbeidsparticipatie, terwijl tegelijkertijd door het uitblijven van economische stimuleringsmaatregelen banen aan allerlei kanten in grote getale vervallen, zal slecht uitpakken;
- als onze overheid zich strikt wenst te houden aan de 3%-EMU-norm (hetgeen ik als Keynesiaan onverstandig vind), moet ze het- wat ze nu nalaat - aantrekkelijk maken voor andere kapitaalkrachtige partijen in ons land om voor en wellicht namens de overheid te investeren en banen te creëren. Zo omzeilen we die rare norm! Miljarden euro's liggen in Nederland bij banken, woningbouwverenigingen, ziekenhuizen, veel gemeenten, waterschappen etc. op de plank een beetje rente te trekken. Investeer dat geld en verhoog daarmee gelijk het rendement! Dan komen er veel banen bij met veel meer bestedingen door de consument. En pas dan is korting op uitkeringen verdedigbaar en economisch verantwoord.


16 augustus 2004
Karel Baarspul
consultant
06-28168818
karel@ibsss.nl

 
 
© TW 2004